De kracht van woorden (en communicatie)

Soms kom je van die hardnekkige aannames tegen, die door eindeloze herhaling in ons vocabulaire, collectief voor waarheid worden aangenomen. Meestal sta je er even bij stil, maar vergeet je ze daarna snel weer, om verder te gaan met de orde van de dag.

 

Sommige van deze misconcepties zijn onschuldig en onopvallend. Andere zijn impactvoller, en hebben jarenlang stof voor publiek debat geleverd – en doen dit nog steeds. Denk alleen al aan de strijd tegen discriminatie die burgerrechtenorganisaties in Amerika hebben gevoerd in de tweede helft van de 20e eeuw. In een tijd waar discriminatie op basis van ras geïntegreerd was in de heersende cultuur, vormde het taalgebruik van de mensen zich hiernaar; de kloof tussen de bevolkingsgroepen uitte zich in termen van white versus negro.

 

Niets staat in steen gebeiteld

Door de decennia heen zijn deze termen, en hun onderlinge verhouding, aan verandering onderhevig geweest. Vaak dankzij de (al eerdergenoemde) burgeractivisten, die het gebruik van deze woorden onder druk zette. In het begin van de jaren 70’ raakte het gebruik van de term negro in verval, en werd veelal vervangen door black (en later African American). Hoewel in eerste instantie de verhouding tussen black vs. white meer in evenwicht lijkt dan negro vs. white, veranderde het niets aan de institutionele kloof tussen de twee bevolkingsgroepen.

 

Nu de VS beginnen in te zien dat hun land altijd een land van immigratie is geweest (wat waren de Founding Fathers anders dan immigranten?), begint dit zich te weerspiegelen in het taalgebruik: American, African American, Asian American, Latino American, het zijn allemaal benamingen voor één en dezelfde groep: Amerikanen (hoe de hardcore Trump-stemmer hierover denkt laat ik even buiten beschouwing).

 

De kloof

Van dit Amerikaanse voorbeeld, naar een globaal, wereldwijd fenomeen – en daarmee misschien nog wel krachtiger in de implicaties ervan. Een misconceptie waar ook wij nuchtere, en veelal goed geïnformeerde Nederlanders aan deelnemen, de meeste althans. Ik was daar tot voor kort geen uitzondering op.

 

Pas na het lezen van het boek Factfulnuss (2018), het magnum opus van de in 2017 overleden Hans Rosling (een gerenommeerd Zweeds wetenschapper, bekend van de verbluffende Ted-talks over bevolkingsgroei) dat hij samen met zijn zoon en schoondochter schreef, realiseerde ik het me: Er bestaat niet zoiets als ontwikkelingslanden. Er is geen derde wereld.

 

Waar wij het stelselmatig hebben over ‘ontwikkelde landen’ versus ‘ontwikkelingslanden’, laat Rosling zien dat daar geen sprake (meer) van is. Die laatste ‘meer’ is daarbij van belang: het gebruik van de termen is niet op illusie gebaseerd. Gedurende de 20e eeuw* was er wel degelijk een kloof aanwezig tussen enerzijds Westerse landen en Aziatisch/Afrikaanse landen anderzijds, op basis van verschillende sociaaleconomische omstandigheden. Daarbij werden de landen die achterliepen gedoopt tot ontwikkelingslanden.

 

En nu?

Fastforward naar honderd jaar later: er is namelijk iets speciaals gebeurd in de landen die wij ontwikkelingslanden noemen. Ze hebben zich ontwikkeld. Geheel zoals de naam zich 100 jaar geleden al deed vermoeden.

 

Wat Rosling op magistrale wijze laat zien is hoe ons beeld van de wereld gegrond is op verouderde opvattingen, en hoe ons gebruik van de woorden ‘ontwikkelingslanden’ en ’ontwikkelde landen’ (of variaties daarop) deze misconceptie in stand houdt. Want de veronderstelde kloof tussen arm en rijk is in werkelijkheid niet aanwezig. Er is eerder sprake van een geleidelijke schaal, waarop de verschillende landen verspreid zijn.

 

Dit hoef je niet van mij aan te nemen, maar kan je zelf ervaren op gapminder.org (de foundation van Rosling), waar de ontwikkeling van landen wereldwijd op speelse wijze inzichtelijk wordt gemaakt.

 

De boodschap die Rosling ons duidelijk probeert te maken is helder en krachtig: dat wat wij voor waarheid aannemen, is niet altijd in realiteit gegrond, en wordt mede door ons taalgebruik in stand gehouden.

 

Als (zelfbenoemd) communicatiemaker voel ik het als mijn taak (of plicht?) om hier duiding aan te geven, althans; binnen de context van mijn werk. Maar hoe? De suggestie om te spreken over Level I, II, III en IV-landen zoals Rosling dat doet is dan misschien correct, maar ik zet mijn vraagtekens bij de vertaalbaarheid ervan naar het generale publiek. Ik zie het NOS-journaal deze nuance voorlopig niet in haar verslaglegging doen, noch bij enig ander nieuwskanaal. Dat is geen verwijt aan de verslaglegger maar aan de complexiteit van het probleem. Het medium leent zich niet goed voor deze nuance…

 

Hoe moeten we de kwestie dan wel definiëren om erover te kunnen spreken? Naar mijn idee is dat een eerste stap in de richting van een oplossing. Genoeg reden dus voor opiniemakers om hier – publiekelijk – over na te denken. Maar ook reden genoeg voor ons om soms wél stil te staan bij de woorden die we gebruiken, als we weer eens zo’n hardnekkige aanname als deze tegenkomen.

Leave a Comment

Laat van je horen!

Wil je wat van ons weten? Vraag maar raak!

Start typing and press Enter to search